Het zal je hobby maar zijn

Het zal je hobby maar zijn

April 21, 2016

Ook zoiets wat ik vaak te horen heb gekregen. Veelal van publiek wat ik na een concert in een foyer tegen kwam, wat genoten had van een mooi concert. Terwijl zij aan het nagenieten waren van een concert was ik toe aan iets om de keel te smeren en mijn vochtpijl aan te vullen. 

Herkenbaar in mijn concertkleding werd ik dan wel eens aangesproken door iemand die het aandurfde, want meestal bleef het bij kijken. Kijken en wel contact willen maken maar het toch net niet zover laten komen, en voordat je het weet is dat moment voorbij.

Diegene die het wel deed begon meestal met dat ze genoten hadden van het concert en bijna steevast als tweede kwam dan dat ik toch maar bofte met dat ik van mijn hobby mijn beroep had kunnen maken. Meestal glimlachte ik instemmend en was daarmee de kous af. Een heel enkel keertje, afhankelijk van mijn stemming, vertelde ik wel eens wat meer.

Om eerlijk te zijn, vioolspelen is heel lang vooral NIET mijn hobby geweest. Ik ben op mijn 6e begonnen en pas op mijn 14e begon ik het leuk te vinden. Waarom ik dan al die jaren ben door gegaan? Simpel, er zat zo’n dwang achter dat ik niet durfde te zeggen dat ik het niet leuk vond.

Op mijn 14e ging ik in een jeugdorkest spelen en ineens kreeg dat studeren op dat ‘ding’ een functie. Ik vond het geweldig om in het midden van een orkest te zitten. Al die geluiden van die instrumenten, het volume en het samen instuderen van een muziekstuk. Prachtig en ook gezellig.

Het vervolg is ineens logisch. Voor het daadwerkelijk bemachtigen van een orkestbaan kwamen er nog wel de nodige andere dingen om de hoek kijken maar daar heb ik het een andere keer over. De wereld die auditie heet!

Ik heb nooit een hekel gehad aan mijn beroep, zeker niet. Ik heb genoten vooral van de eerste 10 jaar. Alles was nieuw en even leuk. Ik zat ook wel in het leukste orkest van Nederland vond ik, het Metropole Orkest. Wat een humor leefde daar en wat kon er veel. Maar na, in mijn geval 10 jaar, had ik alles al eens gehad en merkte ik dat er irritaties ontstonden. Ook ingegeven door naderend onheil als opheffing. Spanning doet geen leuke dingen met mensen.

Orkestwerk vindt plaats in een grote ruimte, afhankelijk van hoe groot het orkest is natuurlijk. In het geval van het Metropole Orkest was dit een ruimte die helaas, ondanks voor ons op maat gebouwd, toch net te klein was. De ideale opstelling is nooit gevonden en ik heb met mijn tweede violen plek op alle plekken in de studio gezeten. Het ging er bij die ideale plek vooral om hoe het geluid in de controle ruimte binnenkwam om de vele opnames die we deden zo goed mogelijk te krijgen.

Het werd op een gegeven moment gewoon werk. Werk waar je naar toe gaat en waar je van naar huis gaat.

Werk ook waar de ene week de ene dirigent voor staat en de andere week weer een andere. Ze, die dirigenten, zijn helaas niet allemaal even goed. Dat vinden ze overigens wel van zichzelf en daar precies zit een grote reden dat ze dirigent zijn geworden.

Ego’s op een bok met een stokje in hun handen waarmee ze een grote groep naar hun hand gaan zetten. Is het niet goedschiks dan toch zeker kwaadschiks. In het geval van kwaadschiks kun je daar als musicus met een beroep wat klank voortbrengt, behoorlijk in muiten. Je hoeft maar niet in te zetten, oftewel de noten niet te spelen die op dat moment gespeeld moeten worden en de dirigent is ineens “Jan Jurk” en weg is zijn macht. Maar daar moet je als musicus natuurlijk wel “de ballen” voor hebben en dat is dan weer precies waar het knelt, want ook musici zijn maar mensen. Het merendeel staat ook graag achter de rug van z’n collega en krijgt liever niet zelf de wind van voren. 

Je zit elke dag met z’n allen in één en dezelfde ruimte. Of je kijkt naar de dirigent omdat je aan het spelen bent of je kijkt om je heen omdat je even niet hoeft te spelen. In het laatste geval is het onmogelijk dat je ook maar iets ontgaat wat er gebeurd binnen de groep.

“Collega zus en zo zal wel ruzie met z’n vrouw hebben aan zijn kop en humeur te zien. En hee, die andere collega is weer naar z’n halfjaarlijkse knipbeurt geweest. Er is een behoorlijk stuk vanaf. En kan die andere collega niet eens zijn kop houden? Dat daar nou niets van wordt gezegd! Dat ziet toch iedereen dat dat enorm stoort en ophoudt en ga zo maar door…..”

Nee, niets ontgaat je want je zou wel willen dat het je ontgaat.

In mijn geval pakte ik een boek erbij. Je moest soms lang wachten en aangezien praten stoort en ook, om volkomen instorting tegen te gaan en nog wat geconcentreerd te blijven, ging ik lezen. Tot een nieuwe manager had bedacht dat er een protocol moest komen van “hoe je te gedragen tijdens repetities”.  Het boek ging in de ban.

Ik was niet de enige die graag las tijdens een repetitie maar o wee, als er nu maar een nieuwskrantje in je buurt lag waar je naar loerde dan stond daar al een collega klaar om je als een heuse NSBer te verraden bij de groepsaanvoerder. 

Ik heb alle irritaties weten te neutraliseren door me te richten op de klanken om me heen. Mijn fantastisch spelende collega’s. De geweldige muziek die op hoog niveau werd uitgevoerd was keer op keer een traktatie. Niet de mens maar de musicus in die mensen maakte dat ik de irritaties op afstand kon houden.

Met een andere baan kun je nog eens opstaan om iets te gaan pakken, een kop koffie ofzo. Of je moet even naar de WC, je gaat eens een praatje maken met een collega of krijgt een telefoontje wat je moet beantwoorden. Je werk bestaat er misschien uit dat je geconcentreerd achter een computer zit. Hoe dan ook, je werktempo bepaal je voor een groot deel zelf.

Een orkest is een samenspelend gevaarte. De man ervoor bepaalt hoe dat samenspelen moet verlopen en dat moet worden gevolgd. Je kunt niet in je eentje verder of sneller spelen en zo eerder klaar zijn met je werk. Het is samen uit en samen thuis en iets anders is niet mogelijk.

Die mensen in de foyer moesten eens weten hoe blij ik soms was dat vioolspelen niet de hobby is waar ik mijn beroep van heb gemaakt. Op naar al mijn andere hobby’s waarover ik niet peins om er een beroep van te maken.

Als musicus heb ik zo vaak te horen gekregen dat ik toch maar heel blij moet zijn dat ik van mijn hobby mijn beroep heb weten te maken. Dat is niet zomaar gezegd.