Een pepperspray, ja daar had ik wat aan.

Een pepperspray, ja daar had ik wat aan.

July 20, 2017

Mijn eerste werkgever was de stichting Hoofdstad Operette. Ik studeerde nog, kwam een ex leerling van een vorige leraar tegen die daar werkte en me vroeg of ik er niet wilde invallen. Waarom niet, graag zelfs. 

De stichting was gevestigd aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam en ik woonde daar enkele honderden meters vandaan. Lekker praktisch dus ook. Ik wist toen nog niet dat ze daar alleen in de repetitietijd zaten en voor de rest van het jaar niet meer.

Ik kwam de directeur van het gezelschap tegen die me op een vacature in het orkest attendeerde en me vroeg of ik niet wilde auditeren. Waarom niet, graag zelfs. Het zal altijd meer opleveren dan mijn studiebeurs dus ik gaf me op voor de auditie.

Ik heb geen hekel aan Operette. Als kind heb ik er vele op de televisie gezien. Er zitten prachtige melodieën in vooral in de Operettes van Lehár en Kálmán, echt heel mooi en ontroerend. Ik snap dan ook niet dat er zo neerbuigend over het genre wordt gedaan. Operette spelen moet je ook nog eens niet onderschatten want dan kom je van een koude kermis thuis.

Ik werd aangenomen en bevond me ineens in de bijzondere situatie van mijn laatste studiejaar, 3 maanden zwanger zijn, eindexamen moeten gaan doen en gaan werken. Het is allemaal gelukt en het meest nijpende was als ik ‘s nachts uit de bus stapte op het Museumplein. Op de fiets reed ik het laatste stukje naar huis en bezocht als eerste de wc en werd dan steevast uit mijn al sudderende hoofd geschud door mijn dikker wordende maar warme buik die het verschrikkelijk vond om op die koude bovenbenen te rusten, iets wat nog zeer helder in mijn gevoel aanwezig is.

“De bus vertrekt vanaf het Museumplein en is een rode bus van de firma Oostenrijk” was de enige aanwijzing die ik kreeg toen het reizen begon en de plek van de voorstelling van die avond moest worden opgezocht.

In 1989 was het Museumplein nog een klein stukje snelweg in de stad waar aan weerskanten veel touringcars stonden opgesteld. Het was een bekende startplek waar vandaan veel reizen met de bus begonnen. 

Op die beginplek, midden in de stad, stapten niet veel van mijn collega’s op om het simpele feit dat ze aan de rand van de stad woonden of zelfs er ver buiten. 

Als we naar het zuiden van Nederland gingen hadden we 3 opstapplekken. Het Museumplein, de Torenflat (hoek Rijnstraat/Kennedystraat) en afslag Vinkeveen bij de carpoolstrook. 

Er stonden nog geen collega’s te wachten dus ik was niet compleet zeker in welke bus ik moest gaan zitten want de chauffeur was ook elders. Uiteindelijk, op het laatste moment voor vertrek kwamen er nog 2 collega’s aanlopen en was deze onzekerheid opgelost. 

Ik nam plaats in een nog bijna lege bus en ging gewoon maar ergens zitten. Niemand zei iets.

Twee opstapplaatsen later, de bus was ondertussen aardig gevuld  met orkestleden die vooral achterin gingen zitten, koorleden, die vooral voorin zaten en enkele balletdames, die daar tussenin gingen zitten.

Er kwam een nogal pinnige koordame de bus binnen. Keek op zeer venijnige wijze mij aan en zei: “Dat is  mijn plek !”

“Oh, sorry hoor. Ik schuif wel even door dan”, was mijn antwoord.

“Kun je niet ergens anders gaan zitten want anders kan ik mijn tas niet naast me zetten”, was haar antwoord weer. 

Ik wilde niet al bij mijn eerste busrit heibel schoppen en haar de kolere wensen maar had het eigenlijk wel moeten doen. Ik kwam erachter dat ,in ieder geval alle koordames, zich ‘eigen plaatsen’ hadden toebedeeld en je moest het niet wagen om daar te gaan zitten. Ook zaten deze dames best wel ver uit elkaar en ook dat had zijn reden. Het gezelschap is opgericht na de tweede wereldoorlog en er was al menig nootje gekraakt tussen de leden.

Na korte tijd werd ik ook aangenomen in het Metropole Orkest en werd het handiger voor mij om in de buurt van Hilversum te gaan wonen. Ik heb beide banen 10 jaar lang gecombineerd. Overdag werkte ik bij het ene orkest en aan het eind van de middag stapte ik in de orkestbus bij het andere gezelschap om ergens in het land een voorstelling te spelen. In die tijd werd Vinkeveen of hotel Witte Bergen net buiten Hilversum, mijn opstapplaats.

Mijn toenmalige partner vond het maar niets dat ik midden in de nacht op zo’n afgelegen carpoolstrook naar mijn auto moest lopen. Daar kan ik me ook wel iets bij voorstellen maar mijn grootste angst was meer, als hij maar start want het was al een oud beesie en geld voor een nieuwe had ik niet.

Hij gaf me een pepperspray. “Ik wil dat je deze altijd bij je draagt” zei hij. Het was geen groot ding maar groot genoeg voor een hand vol. 

Pepperspray

Hoe werkt dat ding dan, vroeg ik.

Hij zou hem wel even demonstreren.

“Kijk, hier zit een palletje wat je naar achteren moet schuiven als je hem wilt gebruiken. Dat is voor de zekerheid dat je hem niet per ongeluk indrukt.”

Hij schoof het palletje weg , drukte hem in en sprayde in mijn slaapkamer. Gelukkig stond ik achter hem want hij wist niet hoe snel hij uit die kamer moest komen en de deur moest dichttrekken. De lul, die relatie heeft ook niet stand gehouden.

Ik heb het ding jaren in mijn jaszak gehad waarna hij verhuisde naar de binnenkant van het portier om van daaruit definitief in de afvalzak te belanden. Ik heb hem gelukkig nooit hoeven gebruiken en was ook blij dat ik ‘s nachts niet meer in Vinkeveen mijn auto moest gaan zoeken toen ik besloot te stoppen met werken bij de Hoofdstad Operette.

Wat een tijd!