Conservatorium, ik ben er niet zo kapot van

Conservatorium, ik ben er niet zo kapot van

January 3, 2017

We keken elkaar aan, de viool en ik, het bleef stil. Het beloofde een lange weg te worden. Een weg waarbij “buiten spelen” heel snel verbleekte naar iets vaags wat vooral anderen deden. Ik was 6 jaar. 

Er brak een tijd aan van elke dag studeren en 1 keer per week naar de vioolles. Ik had een schat van een vioolleraar met een ontzettend lieve vrouw en hoewel ik daar in het begin wel aan moest wennen, een nog lievere hond. Een Hongaarse Puli, fantastisch beest! 

Hierna werd het de muziekschool. Ik verwachte daar spannende dingen maar het bleek gewoon een ander gebouw, met een andere vioolleraar maar wel dezelfde vioollessen. 

Al de kruizen, mollen, posities, streektechnieken, maatsoorten en rusten kwamen voorbij. Rusten die ik steevast oversloeg want wat moest je daar nou mee als je in je eentje speelt. Ik ga toch niet een tijdje staan wachten voor nop?

Een nieuw tijdstip brak aan. De tijd van de kinderachtige stukken was voorgoed voorbij. Ik was na 3 strenge proeflessen terecht gekomen bij een fantastische pedagoog. Mijn niveau steeg ontzettend snel en hij had grote plannen met me. Ik geloofde hem.

Er was nog iets anders positiefs gebeurd. De viool had ineens functie in mijn leven gekregen. Ik was gaan spelen in een jeugdorkest en wist wat ik met die viool wilde. Wat die viool voor me zou gaan doen.

Sweelinck Conservatorium Amsterdam was het ondertussen gaan heten en bevond zich in meerdere gebouwen in de stad en ik was aangenomen. Ik vond het een beetje raar dat je niet direct in je eerste jaar kon beginnen maar eerst de vooropleiding moest doen van minimaal 2 jaar. Maar, zo werd me verteld, was dit meer een slim trucje om zo lang mogelijk les te kunnen krijgen. Iets wat ik al helemaal niet wilde maar er was geen ontkomen aan.

Naast al dat vioolspelen kwam er nu iets nieuws bij, solfège.

In mijn les, een groep van 8 personen die zelden compleet was, zat ook een slagwerker. Keurige jongen, krullend haar in een perfect kapsel, schoon brilletje, liep kaarsrecht, was ontzettend beleefd, beetje type boekhouder maar dan één met humor. Daar waar ik ritmisch mijn problemen had, had hij dat melodisch en ja hoe oefen je dat. Door te zingen. Er kwam echter niet meer dan een rasperig geluid uit zijn keel. Hij begon te zweten, werd rood, deed onnoemelijk zijn best maar het knapte er niet erg van op, zijn keel zat dicht.

Aan het einde van die twee jaar werd het iets hilarisch als hij weer een beurt kreeg. Zelf kon hij er toen ook wel om lachen want daarna was ik altijd aan de beurt. 

Dat wat ik niet kon heb ik daar niet beter leren doen. Dat is allemaal praktijk geweest.

Na twee jaar vooropleiding kon ik dan eindelijk aan de opleiding (!) beginnen. Helaas overleed mijn goede leraar plotseling en kwam ik terecht in de organisatie die Conservatorium heet en toen in al zijn willekeur heb leren kennen.

Wilde je een jaar extra, dan wisselde je van leraar. Een zeer lucratieve bezigheid voor de student. Een goede leraar vroeg voor een privéles in die tijd al snel rond de fl 100,- of zelfs fl 200,- per uur. In een tijd van fl.1200,-  aan collegegeld was dit dan een koopje voor weer een jaar extra les. Dit werd veel gedaan en later een stokje voor gestoken.

Wilde je iets speciaals, dan ging je even met de directie praten. Had je van de “verkeerde, mindere god les” dan had je het nakijken en bleven bepaalde mogelijkheden voor jou gesloten.

Had je aangegeven om de richting “uitvoerend musicus” te kiezen dan moest je bij je tentamen na je 3e jaar op een 8 uitkomen. Had je echter les van de “verkeerde” dan zou je die 8 nooit behalen, al speelde je de sterren van de hemel tenzij je dat al door had en je voor die tijd enkele, zwaar betaalde, lessen bij een “hogere god” was gaan nemen.

Wilde je toch graag lessen volgen in orkeststudie’s maar was je in de afdeling “docent musicus” terecht gekomen, dan had je ook het nakijken. Dat was dan niet voor jou weggelegd want jij kwam toch niet te werken in een orkest, stelde men.

Zat je in de afdeling “docent musicus” dan moets je vakken volgen als arrangeren en dirigeren. Best leuk. Je tentamen bestond uit het gearrangeerde stuk te dirigeren, twee vliegen in 1 klap gevangen.

Als je echter net iets te vaak afwezig was geweest kon je hier niet voor slagen. Goed gedaan of niet, de docent was er één van kruisjes zetten en te weinig kruisjes betekende per definitie gezakt.

Een maatstaf van niveau was ook erg onduidelijk. Het wass niet zo dat je na je eerste jaar een bepaald niveau, te meten door het spelen van bepaalde stukken, moets kunnen spelen. Nee, dat werd volledig overgelaten aan de werklust of beter gezegd, lesgeef-lust van je leraar. De meeste leraren vonden het wel gemakkelijk als al die leerlingen dezelfde stukken speelden. Dat scheelde tijd om zelf een nieuw stuk in te studeren om er daarna les in te kunnen geven. Vaak hadden ze zelf nog een orkestbaan of solo-carrière er naast.

Nee, ik ben er niet kapot van en was blij dat ik de deur achter me kon laten dichtvallen. Klaar om te beginnen met mijn orkestbaan want dat was wat ik wilde. Spelen in een orkest.

Voorspeel avond. Achter de piano Boukje Land.

Basta!